De rennende man

Het bureau van Meneer Talmen zag er oud uit, donker hout. Die stond vast op zo’n groot schip, met een gaslamp erop. Daar vervoerden ze slaven, trotseerden stormen. Pim’s bureau was rood, witte streep. Net een raceauto. Dat is wel wat vetter, dacht hij. Vrroaaam!

Pim vond Meneer Talmen er zelf ook oud uitzien, hij was zelfs al bijna helemaal grijs. Hij zat tegenover Pim en zijn moeder, gescheiden door het zeevaartbureau.

‘Hou eens op met tikken!’ Zijn moeder trok een hoofd als een citroen.

Pim stond op van zijn stoel, nu bewoog zijn been niet meer. Hij liep naar een kastje waar een poppenhuis op stond. Daarnaast lagen barbies, zonder kleren aan. Raar, al dat speelgoed in de kamer van zo’n oude man. Misschien was hij wel pedo.

‘Hoe verwerkt hij het?’ vroeg Meneer Talmen.

Pim’s moeder schoof op haar stoel.

‘Het maakt voor ons toch niets uit,’ zei ze.

Pim keek naar de klok op de muur. Hij telde tot één, maar de secondewijzer bewoog niet mee. Twee. Drie. Ik weet het ook nie. Kapottie, dacht Pim.

‘Het moet Pim toch wel wat doen?’ vroeg de man.

‘Ik ben in dezelfde kamer, hoor,’ zei Pim. Talmen en zijn moeder waren buiten zijn blikveld, maar hij wist dat ze naar hem keken.

Ik hoor jullie wel, denkt Pim. Ik ben niet traag ofzo. Ik ben juist snel, superrrsnel. Zoals de rennende man. Die denkt ook niet dat ik traag ben.

‘Pim, wil je erover praten?’ vroeg die Talmen.

Pim viste met zijn wijsvinger en middelvinger een papiertje uit zijn zak. Hij klemde het in zijn vuist. Het maakte niet uit of het verkreukelde, daar kon de rennende man wel tegen. Supersnel. Superheld.

De enige die mij kan bijhouden!

‘Hij is weer onbereikbaar,’ zei Pim’s moeder. Ze had haar armen over elkaar en tikte met haar wijsvinger op haar bovenarm.

‘Begrijp me niet verkeerd,’ ging ze verder. ‘Het is immens triest. Immens triest. Maar wij hebben ons er altijd samen doorheen gesleept. Ook toen duidelijk was dat Pim…’

Er viel een korte stilte. Stilte waarin niet eens de klok tikte. Kapottie.

‘Maar Pim had toch wel regelmatig contact met zijn vader?’ vroeg Talmen.

De armbanden van Pim’s moeder rinkelden tegen elkaar toen zij zijn vraag wegwoof.

‘Jahoor, één dag voor zijn verjaardag kwam er dan een kaart uit Amerika. Je kon de klok erop gelijk zetten. Met kerst ook.’

Je kan geen dagen zien op een klok. Zeker niet op de klok van meneer Talmen.

‘En vlak voor hij besloot… Het tijdelijke met het eeuwige te wisselen?’ vroeg Talmen.

‘Ja!’ Pim’s moeder schoot overeind. ‘Een maandje terug stuurde hij iets. Een of andere belachelijke foto van toen hij aan het joggen was. Kan je nagaan, dat is het laatste wat hij ooit van hem kreeg.’

Pim vouwde het papier open. Daar zag hij hem, in de foto. De rennende man. De man die alles kan. Die alles trotseren kan.

De enige die mij kan bijhouden.

Supersnel. Superheld.

En superhelden sterven niet.