De Eenhoorn

boven de duisternis en diepte

drijft zij bijna ontlijfd, ontpit

zwevend in wit

haar laatste zware spanning

voor haar liefst bezit

 

wateromklemmend heeft zucht en dorst

het wacht…

ze zwemt op haar rug

klemt aan haar borst haar vrucht

blank eiland in de nacht

 

waterkou haar lippen bereikt

maar ze ziet, ze drijft

naar dijken

laat naar land

 
‘t viriel paard prijkt

zilveren ziel op de kant

hoe hunkert ze te bereiken

en -oh Goden-  aan te reiken!

bevend, zo weinig vol leven

glijdt ze ’t kind op ’t land

 

de druk lost op in lichte lucht

nu is het goed

veilig is de vrucht

veilig is de vrucht

aan ’t fierpaardsvoet

nu nog even het krijst

als moeder wegdrijft